160 jaar Chinese immigratie: ‘Alsof ik in mijn vorig leven hier was geboren’

In verband met 160 jaar Chinese immigratie, het levensverhaal van meneer Sarinah. Voor de laatste dag van het jaar, een van de mooiste levensverhalen die ik heb mogen schrijven. Vanuit verschillende invalshoeken gezien: cultuur, migratie, verbroken band, struggle en liefde voor SU.

160 jaar Chinese immigratie: ‘Alsof ik in mijn vorig leven hier was geboren’

In verband met 160 jaar Chinese immigratie, het levensverhaal van meneer Sarinah. Voor de laatste dag van het jaar, een van de mooiste levensverhalen die ik heb mogen schrijven. Vanuit verschillende invalshoeken gezien: cultuur, migratie, verbroken band, struggle en liefde voor SU.

Uit Parbode Magazine van dinsdag 1 oktober 2013 door Charles Chang.

Honderdzestig jaar geleden arriveerde het eerste groepje Chinezen in Suriname. Sindsdien  kwamen regelmatig individuen of families om hun geluk te beproeven en hebben de meesten zich hier permanent gevestigd. Een daarvan is Roy Ong Sioe Khing(65), eigenaar van restaurant Sarinah, die niet zoals de meeste Chinezen uit China of Hongkong komt, maar uit Indonesië. En dat heeft gemaakt dat hij zich hier ontzettend thuis voelt.

Bandung, 1962. Op een dag hoefde de jonge Ong niet meer naar school. Al twee jaar lang sudderde een anti-Chinese sfeer in het land totdat het uitbarstte op de bewuste dag. Een woeste menigte trok door de straten, stak huizen in brand en gooide stenen naar Chinese ondernemingen. Niet lang daarna nam zijn vader een besluit: ‘We gaan weg van hier’. Daarmee kwam er een eind aan de vele generaties van de Ong’s in Indonesië. Het land werd vanaf de zeventiende eeuw bewoond door Chinezen. Van vader’s kant kwam Ong’s betovergrootvader uit de provincie Fukin waar de meeste Chinezen in Indonesië vandaan kwamen, terwijl zijn moeder al tot de zevende generatie in Indonesië behoorde. Maar na vele generaties was de Chinese cultuur nog sterk aanwezig in de familie. “We voelden ons meer Chinees dan Indonesiër, zegt Ong. “We hadden altijd een altaar met wierook en vruchten als offers, Nieuwjaar vierden we uitbundig met vuurwerk en drakendans en bezochten we de tempel.” Terugdenkend aan de opstanden zoekt Ong de fout bij de ouderen en het Nederlands bewind. “Al mijn vrienden waren Indonesiërs en dat vonden mijn ouders niet leuk. De ouderen leerden ons altijd dat wij Chinezen zijn en niet moeten mengen met anderen. Dat maakte ons een gesloten groep, maar velen waren al niet meer honderd procent Chinees door de generaties heen. Chinezen behoorden tot drie procent van de bevolking, maar de hele economie werd beheerst door deze groep. En die spanning werd ook verergerd door de verdeel- en heerspolitiek van de Nederlanders.” Ong noemt hiervoor een voorbeeld van het openbaar zwembad. “Op het bord stond ‘Verboden voor Chinezen, inlanders en honden’! Ja echt, zo hebben de Hollanders het aangegeven! Het tweede is een negatief woord voor Indonesiër.” “Ja echt, zo hebben de Hollanders het aangegeven: verboden voor Chinezen, inlanders en honden.”

Mao-pakjes      

De familie van Ong was altijd in de business geweest. In Bandung (West-Java) was vader importeur van elektrische apparatuur en moeder had een bloemenzaak. Noodgedwongen door de situatie moesten ze de twee ondernemingen, woning en drie auto’s achterlaten. Het beloofde land werd China die schepen stuurde om de mensen terug te halen. Vader liet voor iedereen blauwe en grijze mao-pakjes maken en het hele gezin volgde privé Chineesles. Ong herinnert zich dat China het onderwerp van gesprek was iedere avond, maar ondertussen bereikte hun het bericht dat China niet veel beter was. De mensen die eerder waren verhuisd, kwamen er slechter van af door de Culturele revolutie. Ong, gesticulerend: “Godzij dank dat het niet meer was doorgegaan!”  Tot geluk van de familie kwam een jaar na de opstanden het nieuws dat Brazilië haar grenzen openstelde voor immigratie. Circa honderd families meldden zich hiervoor aan bij de ambassade in Jakarta voor een permanent visum. Ong: “Niet allemaal kozen voor Brazilië, sommigen gingen naar Nederland, maar mijn vader hield van de natuur, jagen en vissen, en de Amazone lag in Brazilië. Vanaf dien werd Indonesië een afgesloten hoofdstuk. Het was voor mij hard om van de een op andere dag alles te moeten achterlaten. Alleen onze koffers hadden we.”  Thuis voelde hij zich opgesloten in de kleine ruimte waarin we woonden

Opgesloten

De eerste jaren in Brazilië gingen moeizaam voor de familie Ong. Na een mislukte poging in de landbouw verhuisde de familie van een plaatsje buiten de stad naar het centrum van Sao Paolo. Daar had vader Ong enig succes met een snoepwinkeltje die hij later uitbreidde met een Indisch eethuisje. Er was vraag naar Indisch eten doordat er veel Indo’s woonden in Sao Paulo. Toch was de man niet gelukkig. Het Portugees was alvast een probleem voor de Nederlands sprekende Indonesiërs. Thuis in Indonesië sprak het gezin een mengelmoes van talen. Behave het Chinees. De grootvader van vader Ong sprak nog de taal, maar van moeder’s kant sprak niemand meer Chinees. Afkomstig uit Bandung sprak vader Ong het Soendanees en de moeder uit Surabaya (Oost-Java) sprak als enige thuis het Javaans. De gemeenschappelijke taal was dan het Nederlands. Ong: “Ook met vrienden spraken ze het Nederlands, maar met ons, de kinderen, spraken zij het Melayu of Oud-Maleisisch, terwijl wij op school het bahasa leerden. Ik ben dus opgegroeid met een heleboel talen. Daarom weet ik Nederlands te spreken, maar schrijven kan ik niet.” Om het Portugees te leren, was de jonge Ong twee jaren aan kwijt. Toch was Brazilië voor hem het land van de mogelijkheden. “Ik was jong en kon mij daar aanpassen, Brazilië was ten opzichte van Indonesië modern en het waren aardige mensen. We ondervonden ook geen etnische problemen - integendeel - als buitenlander met zoveel talen en cultuur, werd je meer gewaardeerd! Maar mijn vader kon zich niet aarden, mijn moeder had er minder moeite mee. Thuis voelde hij zich opgesloten in de kleine ruimte waarin we woonden, hij hield niet van het Braziliaans eten en van zijn droom om te gaan vissen kwam niets terecht. Hij moest hosselen want al zijn kapitaal had hij in de landbouw verloren, dus werkte hij ook op de zondag.” “En dat, terwijl ik me thuis voelde. Ik was een Braziliaan geworden.”

Culturele shock

Sao Paulo, 1970. Na zeven jaar wonen in Brazilië, kwam de dag die het leven van de Ong’s voorgoed veranderde. Een Indo klant van vader Ong kwam met het bericht dat zij naar Suriname zou verhuizen. Suriname stond toen bekend als het land Guyana, en niet de Braziliaanse stad Goiâna, waar Nederlands werd gesproken. Na correspondenties met de kennis nam vader Ong een jaar later het besluit om opnieuw op te breken. Ong: “Hij voelde aan dat Suriname het land was waar hij moest zijn. Mijn moeder en twee zusjes gingen mee, ik bleef dan alleen achter. Ik had toen een bedrijf en zou aan een gezin beginnen. In 1973, op de terugreis van New York naar Sao Paolo, besloot ik mijn ouders op te zoeken. Suriname was een rustig land, maar ik ervaarde het als een culturele shock. Het Nederlands dat ik thuis gewend was te horen, werd hier gesproken door zoveel bevolkingsgroepen. Zanderij was klein en in de kruidenierswinkels lagen Europese producten. Het was allemaal raar voor mij! Terug in Brazilië werd mijn eerste kind geboren, ik had het goed, maar van binnen groeide iets dat ik ook zag bij mijn vader. Wat precies kan ik niet vertellen, maar dat beeld van Suriname liet mij niet meer los. Het deed mij terugdenken aan Indonesië.” 

“Na enkele maanden ging ik terug met vakantie, nu met mijn gezin. Ik wilde blijven maar mijn vrouw twijfelde en zei ‘laten we het proberen voor vijf jaren’. Ik verkocht alles in Brazilië en zette mij in voor Sarinah. In die tijd had je nog veel Hollanders en Indonesiërs in Suriname. Toen mijn vader ermee begon, bestond het Indische restaurant uit zes tafels, nu is er plaats voor tweehonderd gasten. Als oudste zoon is het ook de traditie bij Chinezen om voor de ouders te zorgen. Het ging goed, maar met mijn huwelijk ging het de andere kant op. Brazilianen hebben een ander cultuur en na vijf jaren wilde ze ook echt wel terug, terwijl we een huis, auto en tweede kind hadden.” “Als oudste zoon is het ook de traditie bij Chinezen om voor de ouders te zorgen”

Gevoel terug

Ong wist het nog een rek jaar te rekken, maar toen kwam de revolutie. “Ik had dus geen uitweg meer, verkocht alles en verhuisde terug naar Sao Paulo. Ik hield van mijn ouders, maar mijn gezin was ook belangrijk. Ik begon opnieuw met een eigen zaak, maar in ’87 ging het slecht met Brazilië: de waarde van de cruzeiro daalde per uur!  En toen kreeg ik het telefoontje van mijn moeder. ‘Wat ga je doen? Je zusjes willen niet overnemen, we worden oud en willen de zaak sluiten, zei ze. Ik vroeg om bedenktijd, maar na een dag belde ik al terug. Het gevoel voor Suriname borrelde opnieuw en ditmaal was de situatie thuis anders. De kinderen waren al groot en in ‘88 stond ik opnieuw hier. Nu voorgoed.”  

“Als mensen mij niet kennen, denken ze dat ik een Surinamer ben, maar ik voel mij hier ook thuis. Het lijkt alsof ik in mijn vorig leven hier was geboren. In ’81 was ik in Indonesië, maar bepaalde dingen was ik niet meer gewend. De nieuwe generatie van mijn familie kende ik niet en hun Chinese namen waren veranderd in Islamitische namen. Ik was teleurgesteld.” 

“Hier is de verbroken lijn met Indonesië hersteld, Suriname is mijn land geworden, terwijl ik dat gevoel niet had in Brazilië, ondanks dat ik ben genaturaliseerd. Ik heb een gezin met een Javaanse vrouw en het verloren Chinese gevoel is terug. In huis is er weer een plek voor het traditionele altaar.”